WVS Onderwijs
Missie en Visie
Kernwaarden
Onze Medewerkers
Advies
Coaching
Onderzoek
Interim-management
Kwaliteit
Huisvesting
Trainingen & Workshops
Referenties
Contact
Sitemap
         
         
         WVS Onderwijs BV
         Meridiaan 26
         2801 DA  GOUDA
         0182-682330
         info@wvsonderwijs.nl
 

         Routebeschrijving

Nieuwsbrief januari 2012

Overzicht btw-vrijstellingen in 2012

Het ministerie van OCW heeft een overzicht gemaakt van de fiscale regelingen voor 2012 die relevant zijn voor het onderwijs- en cultuurveld. Het betreft onder meer de gevallen waarin vrijstelling van btw of een verlaagd btw-tarief geldt.
Onderwijs en diensten en leveringen die daar nauw mee samenhangen, zijn vrijgesteld van btw-heffing. In de praktijk is daar soms onduidelijkheid over. In dit overzicht van OCW wordt helderheid gegeven. Het gaat bijvoorbeeld om bijles en huiswerkbegeleiding. Voor detachering van personeelsleden gelden specifieke regels, die ook in dit overzicht staan. 
Het verlaagde btw-tarief geldt voor schoolboeken, maar ook voor digitaal lesmateriaal en updates.
Kijk voor de details op http://www.cfi.nl/Public/CFI-online/Images/Belastingregelingen%202012_tcm2-131125.pdf.

Bron: VOS/ABB, 9 januari 2012


Vernieuwde stimuleringsregeling ‘Coaching voor en door schoolleiders’ in 2012


Uit de evaluatie van de eerste regeling bleek dat startende schoolleiders door de coaching meer zelfvertrouwen krijgen, sneller zijn ingewerkt en een hogere kwaliteit van werk leveren. Naast het vergroten van hun bekwaamheid, is de regeling ook bedoeld om de regionale samenwerking op het gebied van professionalisering te versterken.
Tot 23 januari 2012 kan ieder verband voor minimaal zes en maximaal tien schoolleiders een aanvraag indienen. Dat geldt ook voor de schoolbesturen die gebruikmaakten van de eerste regeling in 2010/2011. Schoolleiders die eerder een training hebben gevolgd in het kader van de regeling zijn uitgesloten van deelname. Er is maximaal 3.000 euro per persoon beschikbaar voor het volgen van een coachings training. Deze vergoeding is daarnaast ook te gebruiken voor het bekostigen van coachingsgesprekken en voor deelname aan een netwerkbijeenkomst voor coaches. De regeling loopt tot 1 januari 2013. Voor de uitvoering van deze stimuleringsregeling is een begeleidingsgroep ingesteld, met daarin onder andere de AVS. Deze begeleidingsgroep zal de aanvragen beoordelen en een selectie maken.
Meer informatie en het aanvraagformulier staan op www.sboinfo.nl.

Bron: AVS, 15 december 2011
 

 

Minister: geen doordecentralisatie huisvestingsgeld

Facultatieve doordecentralisatie van onderwijshuisvestingsbudgetten, zoals de Tweede Kamer wil, zit er in de huidige regeerperiode niet in. Volgens minister Marja van Bijsterveldt van OCW zal de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) hier niet mee akkoord gaan, omdat er in het bestuursakkoord met de VNG geen afspraken over zijn gemaakt. De Tweede Kamer steunt de PVV in een oproep om schoolbesturen die dat willen en kunnen, de beschikking te geven over hun onderwijshuisvestingsbudget. Nu loopt dat geld nog via de gemeenten, die het ongeoormerkt uit het Gemeentefonds krijgen. De politieke wens om de schoolbesturen in de gelegenheid te stellen zelf hun onderwijshuisvestingsbudgetten te beheren, komt voort uit de constatering dat de gemeenten per jaar gemiddeld 400 miljoen euro uit die budgetten aan andere zaken besteden of op de plank laten liggen. De minister erkende donderdag in de Tweede Kamer, tijdens de behandeling van de OCW-begroting, dat het onwenselijk is dat er gemeenten zijn die huisvestingsmiddelen voor andere doelen gebruiken. 'Maar op dit moment worden er geen mogelijkheden gezien om daarin verandering te brengen. Over verdergaande doordecentralisatie van de middelen heeft het kabinet in het bestuursakkoord met de VNG geen afspraken gemaakt. Met een verdere inperking van de gemeentelijke autonomie zal de VNG niet instemmen', aldus de minister.

Bron: VOS/ABB, 2 december 2011


Samenwerking bij krimp: kansen en belemmeringen

De onderzoekers Gijs Huitsing en Rie Bosman keken onder meer naar onderwijskundige, pedagogisch-didactische en kwaliteitsaspecten van samenwerking tussen kleine dorpsscholen. Ook kwesties rond identiteit, emoties over bestaande scholen en communicatie met ouders komen in het onderzoeksrapport aan bod.
In de paragraaf over de samenwerkingsschool als uitkomst staat dat bevorderende factoren vooral betrekking hebben op kwaliteit, bedrijfsvoering, toegankelijkheid van het onderwijs en sociale cohesie. Een belemmerende factoren kan de beperkte keuzevrijheid voor ouders zijn. Dit kan bij de vraag of samenwerking mogelijk is de doorslag geven.
Het rapport sluit af met de positieve boodschap om energie te steken in de mogelijkheden van samenwerking. 'Opbrengsten van samenwerkingsscholen liggen vooral in de toekomst. Door een financieel gezonde en krimpbestendige school op te richten kan onderwijs ook op het platteland worden gewaarborgd.

Het onderzoeksrapport 'Toekomstbestendig plattelandsonderwijs' vindt u hier.

Bron: VOS/ABB, 30 november 2011

Staatssecretaris Zijlstra van OCW lanceert pilots prestatiebeloning

Staatssecretaris Zijlstra van onderwijs maakte donderdag 17 november bekend dat scholen een aanvraag kunnen indienen voor een experiment met prestatiebeloning. Hoewel de PO-Raad niet per definitie tegen vormen van prestatiebeloning is, schat de PO-Raad in dat het samenvallen van deze pilots Prestatiebeloning met de dossiers Passend onderwijs en functiemix, teveel vraagt van de schoolbesturen om alle drie tot een goed resultaat te brengen. Schoolbesturen zijn momenteel nog volop bezig met de implementatie van de functiemix. Daarnaast zal de invoering van Passend onderwijs een forse inspanning vragen van alle schoolbesturen en de PO-Raad heeft grote zorgen over de invoering hiervan, onder een hypotheek van een voorgenomen bezuiniging van € 300 mln.

Schoolbesturen in het primair en voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs kunnen vanaf heden een aanvraag indienen voor deelname aan experimenten op het gebied van prestatiebeloning op één of meer scholen. De staatssecretaris heeft daartoe beperkte middelen beschikbaar die tot 2016 ingezet worden voor de experimenten. Aan de hand van de resultaten van het wetenschappelijk onderzoek dat bij de deelnemende schoolbesturen en scholen wordt gedaan, zal besloten worden of vanaf 2016 structureel 250 miljoen euro beschikbaar komt voor prestatiebeloning in de sectoren primair en voortgezet onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs. Voorzitter Kete Kervezee: "Wij zijn voorstander van beloningsbeleid dat ontwikkeld en gevoerd wordt binnen het brede HRM-beleid van schoolbesturen. De huidige CAO-PO biedt daartoe ook al voldoende ruimte."

Bron: PO-raad, 17 november 2011

Personele gevolgen van krimp

De sterke daling van het aantal leerlingen waar Nederland de komende jaren mee te maken krijgt, heeft gevolgen voor de bekostiging en de organisatie van het onderwijs en daarmee voor de inzet van het personeel. Dat blijkt uit het rapport ‘De personele gevolgen van krimp in het onderwijs’ van de themagroep onderwijs van het Nationaal Netwerk Bevolkingsdaling (NNB).

Belangrijke conclusies uit het rapport over krimp en onderwijs zijn:
-In het primair onderwijs daalt de totale werkgelegenheid door de afname van het aantal leerlingen. In 2015 zijn ongeveer 1000 (voltijd) leerkrachten minder nodig dan in 2010. Daarna loopt de werkgelegenheid weer op. Tegelijkertijd stijgt echter de vervangingsvraag (door uitstroom naar prepensioen, inactiviteit en ander werk). Doordat het onderwijs aan de vooravond staat van een grote uittocht van oudere leerkrachten, stijgt de vervangingsvraag van voltijds lerarenbanen, van 5.000 nu naar 6.500 in 2016.
-Goed voorbereide scholen kunnen beter anticiperen op krimp. Hiermee kunnen spanningen in de organisatie worden voorkomen, bijvoorbeeld als de formatie toch geforceerd zou moeten krimpen.
-In een krimpsituatie worden meestal minder of geen jonge mensen meer aangenomen. Daardoor stijgt de gemiddelde leeftijd van het personeel. Pabo-studenten kunnen in deze regio’s moeilijker aan een vaste baan komen. Daardoor stijgen ook de gemiddelde personeelskosten.
-Voor krimpscholen loopt het leerlingafhankelijke deel van de inkomsten terug. Wanneer een basisschool onder de norm van 140 leerlingen komt, ontvangt de school een ‘kleinescholentoeslag’. Maar niet elke krimpende school is ook een kleine school met recht op de toeslag. Volgens prognoses van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) en het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) krijgt tot 2040 meer dan een derde van alle gemeenten te maken met een afname van de bevolking. In alle gemeenten zal de potentiële beroepsbevolking afnemen door ontgroening en vergrijzing. Personele-gevolgen-krimp-(NNB).pdf 
 
Bron AVS, 4 november 2011

Budget voor buitenonderhoud naar besturen

De Tweede Kamer vindt dat de huisvestingsmiddelen voor buitenonderhoud in het primair onderwijs moeten worden overgeheveld naar de schoolbesturen. Een motie met deze strekking van het CDA is dinsdag aangenomen. CDA-fractievoorzitter Sybrand van Haersma Buma had deze motie ook al ingediend bij de Algemene Beschouwingen na Prinsjesdag. Dit punt staat ook genoemd in het actieplan Basis voor presteren onder het kopje 'Ruimte voor scholen’. Het feit dat de motie is aangenomen kan worden gezien als een eerste stap naar de volledige overheveling van de huisvestingsmiddelen naar de schoolbesturen.

Bron: VOS/ABB, 12 oktober 2011

Werken in het Onderwijs 2012


De nota Werken in het Onderwijs 2012 geeft een samenhangend beeld van de recentste ontwikkelingen op de onderwijsarbeidsmarkt. In deze publicatie vindt u informatie over de meest recente ontwikkelingen op de onderwijsarbeidsmarkt. Daarnaast laat de nota zien hoe het staat met het beleid van het kabinet om de kwaliteit van het onderwijspersoneel en de lerarenopleidingen te verhogen.
Deze publicatie is bestemd voor professionals op het gebied van onderwijs en voor overige geïnteresseerden en bevat de volgende onderwerpen: kwaliteit van leraren; de school als professionele organisatie; lerarenopleidingen; de onderwijsarbeidsmarkt in de nabije toekomst; stand van zaken onderwijsarbeidsmarkt; arbeidsvoorwaarden en cao’s.

Bron: Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, september 2011


Registratie van incidenten op school wordt verplicht

Scholen in het basis-, speciaal-, voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs zijn vanaf schooljaar 2012/2013 verplicht om (gewelds)incidenten te registreren. De ministerraad heeft ingestemd met het wetsvoorstel van minister Van Bijsterveldt.
Het registratiesysteem geeft inzicht in de landelijke ontwikkelingen van (gewelds)incidenten en veiligheid op de onderwijsinstellingen. Het kabinet streeft ernaar dat de verplichte incidentenregistratie per 1 september 2012 van kracht is.
Steeds meer onderwijsinstellingen registreren incidenten, zoals bij het gebruik van geweld of in het geval van (homo)discriminatie. Ook hebben veel scholen al een veiligheidsbeleid. Toch blijkt de informatie over de aard en omvang van de (gewelds)incidenten vaak gebrekkig. De verplichte registratie moet daar een einde aan maken. Om een landelijk beeld te kunnen opmaken, is het noodzakelijk dat scholen op dezelfde manier incidenten registreren. Daarom worden eenduidige en duidelijke defi nities van verschillende incidenten gehanteerd. De geregistreerde incidenten bevatten geen persoonsgegevens, maar slechts het feit én of de betrokkene een leerling, leerkracht of een derde is.
Scholen moeten zich houden aan de Wet bescherming persoonsgegevens. De registratiegegevens van de incidenten blijven in bezit van de school en zijn niet openbaar. De Inspectie van het Onderwijs krijgt wel inzage in deze gegevens tijdens haar schoolbezoek.
 

Modernisering Vervangingsfonds deels uitgesteld; eerst nader onderzoek

Minister Van Bijsterveldt berichtte de Kamer begin juli dat ze zorgvuldig om wil gaan met de mogelijke beëindiging van de verplichte aansluiting van schoolbesturen bij het Vervangingsfonds. Het eigen risicodragerschap voor grote schoolbesturen per 1 augustus 2011 wordt ongewijzigd voortgezet, maar het Vervangingsfonds heeft deze ontwikkeling voor de middelgrote schoolbesturen voorlopig opgeschort.
De eerste fase van de modernisering van het Vervangings fonds – het eigen risicodragerschap voor grote schoolbesturen per 1 augustus 2011 – heeft nog geen invloed op de beëindiging van de verplichte aansluiting en wordt ongewijzigd voortgezet. De volgende fases hebben dat wel. Het bestuur van het Vervangingsfonds heeft daarom besloten de voorbereiding van de moderniseringsplannen voor de middelgrote schoolbesturen op te schorten, in afwachting van de bespreking van de plannen van de minister in de Tweede Kamer. De minister wil op bepaalde gebieden eerst nader onderzoek doen, waarbij specifi eke aandacht nodig is voor de positie van de kleine besturen met één of enkele scholen. In het onderzoek zal gekeken worden naar de financiële risico’s, de mogelijkheid van een verzuimverzekering voor met name kleine scholen en de continuïteit van het onderwijs. De minister zal hierover in overleg treden met de vakbonden, waaronder de AVS, en de PO-Raad.

Ook zal de positie van het Vervangingsfonds meegenomen worden. Het fonds doet meer dan alleen het regelen van de vervangingskosten. Het is ook actief op het gebied van de arbeidsomstandigheden, terugdringing van het ziekteverzuim en re-integratie van arbeidsongeschikt personeel. De minister wil de opgebouwde kennis bij het fonds niet verloren laten gaan.


Formatieraming 2010–2025 beschikbaar

ResearchNed heeft in opdracht van het Sectorbestuur Onderwijsarbeidsmarkt (SBO) een raming van de toekomstige formatie voor leerkrachten (fte) gemaakt voor het primair en voortgezet onderwijs in de periode 2010-2025.
De leerlingendaling in het po vertaalt zich rechtstreeks door in een daling van de formatie, met de nodige verschillen tussen gemeenten en regio’s. Verondersteld wordt dat de leerling-leraar ratio de komende jaren constant blijft (per school) en de formatie eenzelfde trend laat zien als het aantal leerlingen.
De spreadsheet is te downloaden via www.onderwijsarbeidsmarkt.nl.

 

Rendement Engels in basisonderwijs kan beter’

De Stichting Leerplanontwikkeling (SLO) heeft in opdracht van het ministerie van OCW een brede verkenning verricht naar Engels in het basisonderwijs om zicht te krijgen op de intensiteit en kwaliteit ervan. Er blijkt grote variatie te zijn als het gaat om de tijdsbesteding aan Engels. Er wordt weinig getoetst, de overdracht naar het voortgezet onderwijs vindt niet structureel plaats en ook de aandacht voor Engels op de pabo’s varieert sterk.
Het onderzoek laat zien dat er een grote variatie is in de tijd die aan Engels wordt besteed. Daarnaast hanteren scholen verschillende startmomenten, omdat hier geen formele afspraken over zijn gemaakt. Op de meeste scholen beperkt het aanbod Engels zich tot 45 minuten per week in groep 7/8. Wel groeit het aantal scholen dat eerder met Engels start, vaak in groep 5 maar soms al in groep 1. Engels wordt voornamelijk verzorgd door groepsleerkrachten. De aanwezigheid en rol van vakleerkrachten is beperkt, ook op vtto-scholen (vroeg vreemdetalenonderwijs). Methodes zijn voor leerkrachten bepalend bij de invulling van de lespraktijk. Aan differentiatie wordt nog niet veel aandacht besteed. Degenen die dat wel doen – ongeveer de helft van de leerkrachten – maken daarvoor gebruik van aanvullende materialen (internet, Engelstalige literatuur, eigen materiaal). De meerderheid van de leerkrachten vindt het leuk en belangrijk om Engels te geven. Deze positieve attitude wordt weerspiegeld in de groeiende groep scholen die vroeg start met Engels. Leerkrachten zijn echter minder positief over hun toerusting. Toch maken ze weinig gebruik van nascholing: slechts 20 procent van de leerkrachten heeft de afgelopen tien jaar nascholingsactiviteiten gevolgd. De leerkrachten die wel scholing hebben gehad, zijn slechts gematigd positief over dit aanbod, vooral wat betreft de vakdidactische toerusting. SLO doet aanbevelingen om het rendement van het Engels in het basisonderwijs te verhogen. Het advies is een inhoudelijk kader te ontwikkelen met duidelijke doelen en inhouden en een doorlopende leerlijn naar het voortgezet onderwijs. Daarnaast is meer inzicht in een effi ciënte en effectieve aanpak van (vroeg) vreemdetalenonderwijs wenselijk. Tot slot vindt SLO meer aandacht voor de professionalisering van leerkrachten van belang, zowel op de pabo’s als bij het nascholingsaanbod. Minister Van Bijsterveldt vindt ook dat er stappen gezet moeten worden om Engels een steviger basis te geven in het Nederlandse onderwijs. In het najaar van 2012 komt zij met een plan van aanpak over hoe het vak Engels op termijn als onderdeel opgenomen kan worden in de centrale eindtoets. Dan zijn de pilots afgerond waarbinnen 13 basisscholen (12 Engels, 1 Duits) experimenteren met het geven van lessen in een vreemde taal tot maximaal 15 procent van de onderwijstijd. Daarnaast loopt er een wetenschappelijk onderzoek naar de effecten van vroeg vreemdetalenonderwijs. De acties in het toekomstige plan van aanpak hebben onder andere betrekking op het verbeteren van de kwaliteit van Engels in basisonderwijs. De minister zal ook bekijken wat nodig is voor de verdere professionalisering en nascholing van leerkrachten basisonderwijs ten aanzien van Engels.

De verkenning van SLO is te downloaden via www.slo.nl/primair/nieuws 

 

Ontslagvergoeding blijft mogelijk 

Na protesten vanuit de vakorganisaties over het aangekondigde beleid tot terugvordering van ontslag vergoedingen heeft minister Van Bijsterveldt toegegeven dat de rechtvaardiging voor ontslagvergoedingen te limitatief is gebleken. Als er goede redenen zijn om een medewerker een ontslagvergoeding mee te geven, zal OCW niet overgaan tot terugvordering van bekostiging, schrijft de minister in een brief aan de Tweede Kamer.
De minister geeft aan dat naast een rechterlijke uitspraak of de vergoeding van outplacement ook andere individuele omstandigheden van toepassing kunnen zijn waarbij een ontslagvergoeding te verdedigen is. Bijvoorbeeld het effi ciënt omgaan met overheidsmiddelen of kwaliteitsbeleid. Minister Van Bijsterveldt vertrouwt erop dat het bevoegd gezag, als werkgever, hierin steeds een gedegen afweging zal maken. In de sectoren primair en voortgezet onderwijs wordt breed onderschreven dat terughoudend moet worden omgegaan met het uitkeren van ontslagvergoedingen. Redenen voor de minister voor het terugvorderen van de ontslagvergoedingen kunnen zijn: het gedegen voeren van HRM-beleid, het afkopen van nalatigheid of slecht management en bovenmatige vergoedingen.


Bron: AVS, 25 augustus 2011

 

Ministerraad akkoord met invoering centrale eindtoets

De ministerraad heeft vandaag ingestemd met de invoering van een centrale eindtoets in het basisonderwijs. Daarnaast worden alle scholen in het primair onderwijs verplicht om met een leerling- en onderwijsvolgsysteem (lovs) te werken.
De invoering van de centrale eindtoets en het verplicht werken met een lovs komt tot stand door de wijziging van de WPO. Nu de ministerraad akkord is gegaan met het wetsvoorstel kan het naar de Raad van State worden gezonden.
De centrale eindtoets zal voor het eerst in 2013 worden afgenomen in het basisonderwijs. In het speciaal (basis)onderwijs zal dat waarschijnlijk twee of drie jaar later zijn. Het tijdstip van de toesting zal verschuiven naar eind april.
In het wetsvoorstel is ook vastgelegd dat er een centrale toets voor wereldoriëntatie beschikbaar wordt gesteld voor scholen, waarin de kennis van geschiedenis, aardrijkskunde en natuur (inclusief biologie) wordt getoetst. Het is aan scholen zelf of ze deze toets gebruiken.

Bron: Besturenraad, 1 juli 2011

 

Scholen snijden in budget voor leraren

Het merendeel van de lagere en middelbare scholen bezuinigt in hun budget op het aantal leraren. Dat blijkt uit een onderzoek naar het financiële beleid van scholen, dat adviesorganisatie voor het onderwijs CPS maandag publiceerde.
Van de bovenschoolse managers in het primair onderwijs zei 86 procent hierop te bezuinigen. In het voortgezet onderwijs bezuinigt ruim driekwart van de directeuren op het aantal leraren.

Het onderzoek werd uitgevoerd onder circa 1400 directeuren, bovenschoolse managers en teamleiders. Met het onderzoek wilde CPS inzicht krijgen in de effecten die de overheidsbezuinigingen hebben op de scholen.
Scholen bezuinigen niet alleen op het aantal leraren. Ook het budget voor ict-apparatuur gaat omlaag. Verder bezuinigen veel scholen op ondersteunend personeel, nascholing en gaan ze minder besteden aan het onderhoud van gebouwen.

Bron: Prima-Online, 14 juni 2011

Bijna driekwart van po-besturen heeft intern toezicht

Binnen een jaar nadat de Wet Goed onderwijs, goed bestuur door het parlement is aangenomen, heeft 72 procent van de schoolbesturen in het primair onderwijs intern toezicht georganiseerd. Dit blijkt uit onderzoek in opdracht van de PO-Raad. Schoolbesturen realiseren de scheiding van bestuur en toezicht op verschillende wijzen al naar gelang het bestuursmodel dat wordt gebruikt: 20 procent via een raad van toezicht, 30 procent via een toezichthoudend stichtingsbestuur, een kleine 20 procent via een constructie met de ledenvergadering en 4 procent binnen het bestuur. Ruim 20 procent van de schoolbesturen geeft aan op korte termijn bestuur en toezicht te zullen scheiden. Uit het onderzoek blijkt ook dat intern toezicht weliswaar een plaats heeft gekregen in de organisatie, maar dat het daadwerkelijk intern toezicht houden kan worden verbeterd. Het onderzoek is in opdracht van de PO-Raad uitgevoerd door de Hogeschool van Amsterdam en de Radboud Universiteit in Nijmegen. De resultaten zijn tijdens de algemene ledenvergadering van de PO-Raad aangeboden aan minister Marja van Bijsterveldt van OCW. Aan het einde van dit jaar zal een vervolgonderzoek plaatsvinden om de verdere ontwikkelingen in kaart te brengen.

Klik hier voor het onderzoeksrapport.
 
Bron: VOS/ABB, 9 juni 2011

Krimp basisonderwijs zet stevig door

Het basisonderwijs verloor het afgelopen jaar rond de 14.000 leerlingen, veel meer dan verwacht. Dat blijkt uit de voorlopige leerlingtelling van het ministerie die het Onderwijsblad eind deze week publiceert. De krimp slaat vooral toe in Limburg en Zeeland. Veertienduizend leerlingen minder, dat zijn omgerekend 62 gemiddelde basisscholen die het afgelopen jaar zijn verdwenen. De krimp slaat harder toe dan verwacht, zo blijkt uit de voorlopige leerlingtelling van DUO/CFi op 1 oktober 2010. Het ministerie gaat in de onlangs gepubliceerde kerncijfers nog uit van de referentieraming – zeg maar de schatting voor de begroting – en komt dan uit op een daling van ongeveer 7.000 leerlingen.
De eerste telgegevens laten nu een bijna tweemaal zo grote daling zien, die vooral in het zuiden van het land hard aantikt. Over het algemeen wijken de voorlopige tellingen slechts marginaal af van de definitieve cijfers. De Tweede Kamer houdt donderdag 9 juni een hoorzitting over de effecten van krimp in het basisonderwijs.

Zo raakten volgens DUO/CFi scholen in de provincies Brabant en Limburg rond de 2.700 leerlingen kwijt. Voor het relatief dun bevolkte Zeeland is ook de krimp van bijna 800 leerlingen een forse klap. Volgens schooldirecties in Zeeland wijken veel ouders met hun kinderen uit naar België, niet omdat het onderwijs daar beter zou zijn, maar omdat school daar al vanaf twee-en-een-half begint en ze zo dure kinderopvang uitsparen. Door de daling in het zuiden verliest vooral het katholiek onderwijs in absolute zin de meeste aanhang.

Utrecht is de enige provincie die nog een kleine leerlinggroei in het basisonderwijs kent. Een klein plusje van 0,5 procent, iets meer dan 500 leerlingen erbij. Vorig jaar zaten de basisscholen 4.600 in de min, het jaar daarvoor was er nog een klein plusje. De provincies Limburg en Zeeland hebben het zwaar, daar is er 2 tot 3 procent minder. Maar ook in noord Nederland tekent de krimp zicht stevig af. In de drie Randstadprovincies, Overijssel en Flevoland valt de daling nog mee.  

In de uitgebreide excelsheet zijn alle zuilen per provincie zichtbaar over de periode 2006-2010.


Leerlingenaantallen per provincie

provincie

2009

2010

verschil 09/10

verschil  %

Drenthe

48.061

            47.528

-533

-1,1%

Flevoland

43.996

            43.718

-278

-0,6%

Friesland

62.782

            62.183

-599

-1,0%

Gelderland

194.312

          192.170

-2142

-1,1%

Groningen

48.938

            48.205

-733

-1,5%

Limburg

90.214

            87.438

-2776

-3,1%

Noord  Brabant

224.935

          222.155

-2780

-1,2%

Noord-Holland

242.397

      240.916

-1481

-0,6%

Overijssel

113.977

      113.175

-802

-0,7%

Utrecht

120.672

      121.220

548

0,5%

Zeeland

34.754

        33.970

-784

-2,3%

Zuid-Holland

322.496

      320.964

-1532

-0,5%

totaal

1.547.967

   1.533.642

-14.325

-0,9%

 

 

Leerlingenaantallen per richting

 

richting

2009

2010

verschil 09/10

verschil  %

katholiek

525.723

      519.381

-6.342

-1,2%

openbaar

473.909

      469.785

-4.124

-0,9%

protestant

378.493

      374.182

-4.311

-1,1%

alg. bijzonder

77.874

        78.013

139

0,2%

reformatorisch

28.306

        28.515

209

0,7%

gereformeerd

21.162

        21.066

-96

-0,5%

samenw. pc en rk

14.942

        15.114

172

1,2%

vrije school

13.077

        12.932

-145

-1,1%

islamitisch

9.318

         9.129

-189

-2,0%

hindoe

1.696

         1.729

33

1,9%

samenw. op en rk

714

            664

-50

-7,0%

evangelisch

904

         1.066

162

17,9%

broedergemeente

415

            365

-50

-12,0%

joods

385

            384

-1

-0,3%

samenw. pc rk ab

213

            220

7

3,3%

samenw. op en pc

130

            136

6

4,6%

samenw. op rk pc

111

              97

-14

-12,6%

interconfessioneel

595

            864

269

45,2%

totaal

1.547.967

   1.533.642

-14.325

-0,9%


De cijfers zijn gebaseerd op de voorlopige leerlingentelling van DUO/CFi per 1 oktober 2010.Deze kunnen nog enigszins afwijken van de definitieve cijfers. In de kerncijfers gebruikt het ministerie voor het totaal basisonderwijs in 2010 de referentieraming waarmee de begroting is opgesteld, deze ligt op 1.541.000 (kerncijfers pag. 89).

Bron: AOB, 7 juni 2011

 

Budget personeel en materiaal op termijn samenvoegen


Voor wat betreft de materiële bekostiging blijkt uit onderzoek over de periode 2006–2009 dat bepaalde componenten leiden tot een meeruitgave, bijvoorbeeld voor onderhoud gebouwen, energiekosten en beheer en bestuur. Minder is uitgegeven aan onderwijsleerpakketten. Bij elkaar is er een gesignaleerd tekort van 4 procent, wat neerkomt op 0,37 procent van de totale gemiddelde bekostiging. De minister vindt dit percentage echter geen aanleiding om extra geld beschikbaar te stellen.
Op basis van het onderzoek in de periode 2006–2009 concludeert de minister verder dat de indexering van de personele bekostiging toereikend is geweest. Dat de BAPO-kosten stijgen is een juiste conclusie, maar hiermee is rekening gehouden in de bekostiging, aldus Van Bijsterveldt. De extra kosten zouden worden gecompenseerd door de daling van de gemiddelde kosten per formatieplaats, door uitstroom van ouderen en instroom van jongeren.

Verwacht wordt dat de BAPOkosten een jaar later zullen dalen dan oorspronkelijk was ingecalculeerd. Door de invoering van de functiemix en de verkorting van de salarisschalen is niet meer vast te stellen of de compensatie toereikend is. De invoering van de lumpsum maakt het niet meer mogelijk alle componenten op de voet te volgen. Wel heeft de minister geconstateerd dat het aantal formatieplaatsen is gestegen ten opzichte van het aantal leerlingen. Het is aan het bestuur om hierin keuzes te maken, schrijft de minister. Op de vraag of de indexering voor het jaar 2010 toereikend is, kan nog geen antwoord worden gegeven, omdat de jaarrekeningen over dit jaar nog niet binnen zijn.
Als het om de reserves gaat, komt de minister – na een ingewikkelde formuleberekening – tot de conclusie dat veel schoolbesturen bezittingen (geld en goederen) hebben boven de zogenoemde signaleringswaarde. Er is wel sprake van een daling, maar Van Bijsterveldt vindt dat niet zo erg. Volgens haar hoeft dat niet zorgelijk te zijn, als de besturen het maar bewust en beheerst realiseren. Uit onderzoek blijkt verder dat de besturen zich houden aan de regels die voor beleggingen gelden. De hoeveelheid geld bij de schoolbesturen is iets verminderd, maar volgens de minister nog steeds hoog. De meeste besturen zitten boven de signaleringswaarde van de commissie Vermogensbeheer onderwijs.
Tot slot geeft de minister aan dat schoolbesturen soms te laat reageren op de krimp van het aantal leerlingen en wijst zij op het belang van verdere versterking van de financiële deskundigheid van schoolbesturen. Niet als doel op zich, maar om ervoor te zorgen dat de bekostiging ten goede komt aan de kwaliteit van het onderwijs.

Bron: AVS, 26 mei 2011 

 

Zijlstra wil leraren elkaar laten beoordelen

Leraren en schoolleiders gaan collega’s van andere scholen beoordelen. De onderwijsinspectie gaat hen daarvoor trainen zodat ze een goede inschatting kunnen maken. Dat staat in het actieplan Leraar 2020 dat staatssecretaris van Onderwijs Halbe Zijlstra (VVD) maandag naar de Tweede Kamer stuurt, schrijft De Telegraaf. De oordelen van leraren en schoolleiders over hun collega’s gaan naar de onderwijsinspectie. Bij ‘verontrustende signalen’ grijpt die in.
Zijlstra is ook van plan gedeeltes van de oordelen openbaar te maken via internet. Hij verwacht niet dat het programma leraren te zwaar belast, omdat ze maar een of twee keer per jaar bezoek van collega’s krijgen. Verder wil de staatssecretaris een register invoeren. Daarin mogen alleen leraren staan die hun bekwaamheid onderhouden. Anders zouden ze niet voor de klas mogen staan. Het opleidingsniveau moet worden verhoogd, ‘bij voorkeur’ tot masterniveau. ‘Dat kan niet van vandaag op morgen’, zegt Zijlstra in de krant. ‘In Finland heeft elke docent een master, maar dat heeft wel dertig jaar geduurd.’

Bron: Prima-Online, 23 mei 2011
 

Naar een ambitieuze leercultuur

Minister Van Bijsterveldt en staatssecretaris Zijlstra (Onderwijs) willen toe naar een ambitieuze leercultuur en hogere prestaties van alle leerlingen. “Steeds meer scholen zetten wezenlijke stappen om het talent van hun leerlingen ten volle te benutten. Dat gunnen wij alle leerlingen en alle scholen. Daarom gaan we samen met scholen die resultaatgerichte cultuur verder stimuleren”.
Met de actieplannen voor het basisonderwijs (Basis voor Presteren), voortgezet onderwijs (Beter Presteren) en leraren voor alle onderwijssectoren (Leraar 2020 – Een krachtig beroep!) zetten de bewindspersonen in op opbrengstgericht werken, bevorderen van excellentie en meer aandacht voor hoogbegaafdheid. Bekwame leraren en schoolleiders die verschil kunnen maken in de ontwikkeling van kinderen zijn hierbij cruciaal. In het onderwijs is steeds meer aandacht voor opbrengstgericht werken waarbij leraren de vorderingen van leerlingen systematisch volgen en verbeteren. De inzet is daarom dat in 2015 60 procent van de basisscholen en 50 procent van de middelbare scholen opbrengstgericht werken. Nu is dat nog ca. 30 procent in het basisonderwijs en ca. 20% in het voortgezet onderwijs.

Om opbrengstgericht werken te bevorderen voert het voortgezet onderwijs vanaf schooljaar 2014/2015 een diagnostische toets voor Nederlands, Engels en wiskunde/rekenen aan het eind van de onderbouw in. Naast de verplichte landelijke eindtoets in het basisonderwijs vanaf 2013 krijgen alle basis- en middelbare scholen de wettelijke verplichting een leerlingvolgsysteem te gebruiken. Ook treden deze kabinetsperiode de referentieniveaus en de verscherpte exameneisen in werking. De toegevoegde waarde, de leerwinst van een school, wordt belangrijker voor de beoordeling van de inspectie. “Leraren en schoolleiders zijn cruciaal voor hoge prestaties van leerlingen. Ik wil daarom streven naar een verhoging van het opleidingsniveau van leraren en stimuleren dat leraren zich continu ontwikkelen”, aldus Zijlstra. Het aantal masteropgeleide leraren moet substantieel omhoog. Daarnaast zorgen de lerarenopleidingen er samen voor dat zij goede leraren opleiden. Ze leggen de vereiste vakkennis vast in kennisbases per vak, studenten leggen landelijk ontwikkelde toetsen af en op de lerarenopleidingen basisonderwijs komt een specialisatie jonge kind/oudere kind.
Er is 150 miljoen beschikbaar voor verdere professionalisering van zittende leraren, schoolleiders, middenmanagement en voor de kwaliteitsverbetering van de lerarenopleidingen. Voor het basis- en voortgezet onderwijs is een van de doelen dat in 2016 alle leraren opbrengstgericht werken en goed kunnen omgaan met verschillen van leerlingen in de klas. Voor het middelbaar beroepsonderwijs staat teamgerichte professionalisering centraal.
Om de kwaliteit van leraren te waarborgen registeren leraren in het basis-, voortgezet en beroepsonderwijs zich als bekwame leraar in een beroepsregister. Met de inschrijving verplichten zij zich tot nascholing. Ook gaan scholen structureel gebruik maken van peer review. Daarbij kijken leraren en schoolleiders bij andere scholen en spreken elkaar aan op de kwaliteit en de verbetering daarvan.   Basis- en middelbare scholen waar leerlingen uitmuntend onderwijs krijgen, kunnen vanaf 2012 het predicaat “excellent” verdienen. “Scholen die leerlingen elke dag uitdagen en het beste uit leerlingen weten te halen, moeten daar erkenning voor kunnen krijgen. Deze scholen hebben een echte meerwaarde waar leerlingen hun hele verdere leven de vruchten van zullen plukken”, aldus minister Van Bijsterveldt.
Het kabinet investeert 30 miljoen euro in een excellentieprogramma voor de 20 procent best presterende leerlingen op de basisschool en het vwo. Ook voor leraren geldt dat bijzondere prestaties moeten worden benoemd en beloond. Dit najaar starten experimenten met prestatiebeloning om in overleg met scholen te onderzoeken wat het beste werkt.
De overheid biedt met de actieplannen meer helderheid over ‘wat’ van scholen wordt verwacht. Scholen krijgen meer ruimte om in te vullen ‘hoe’ ze aan de verwachtingen gaan voldoen. Door onnodige belemmeringen in wet en regelgeving weg te nemen en bureaucratische lasten te verminderen, kunnen scholen zich richten op hun kerntaak: goed onderwijs verzorgen.

Bron: OCW, 23 mei 2011

Tweede Kamer wil Bapo-regeling afbouwen

De Tweede Kamer heeft vorige week ingestemd de motie-Elias aangenomen. In de motie drong het Kamerlid Ton Elias van de VVD aan op afbouw van de Bapo-regeling in het onderwijs Volgens de Kamer is het belangrijk om ouder personeel te behouden in het onderwijs, zeker gezien het komende tekort. Maar de huidige regeling wordt onbetaalbaar en zal tot grote problemen voor de inzet van personeel in het onderwijs leiden. Daarnaast constateert de Kamer dat de regeling sterk afwijkt van die van andere publieke sectoren.
Bapo staat voor Bevordering Arbeidsparticipatie Ouderen. Het is een vorm van arbeidsurenvermindering (afbouw van arbeidsduur) voor ouder personeel met het doel de werkdruk op oudere leeftijd wat te beperken.

Bron: Prima-Online, 11 mei 2011


OCW hakt vele tientallen miljoenen aan subsidies weg 

Met eufemistische ambtenarentermen als 'focus op beleidsprioriteiten', 'efficiencykorting' en 'vereenvoudiging bekostiging' heeft het kabinet bekendgemaakt dat het in de komende periode jaarlijks 243 miljoen euro aan onderwijssubsidies schrapt. De operatie moet in 2015 zijn afgerond. Veel subsidies verdwijnen helemaal. Dat is bijvoorbeeld het geval met de subsidie van 500.000 euro voor het versterken van het financieel management in het primair onderwijs.
Op de totale bezuiniging is dit een relatief klein bedrag, maar het effect van het schrappen ervan zal groot zijn. Zeker in het licht van bevindingen van de commissie-Don, die aandringt op meer financiële deskundigheid binnen schoolbesturen.
Andere relatief geringe subsidies die verdwijnen, zijn die voor het project 'Gezonde school' (100.000 euro), de PO-Raad (tevens 100.000 euro) en het Service Centrum Scholenbouw (500.000 euro). De ruim 4,1 miljoen euro subsidie voor de tussenschoolse opvang in het primair onderwijs verdwijnt ook volledig. Dat geldt eveneens voor de subsidie van 1,6 miljoen euro voor projecten om segregatie in het onderwijs tegen te gaan. Van de ruim 30 miljoen euro rijkssubsidie voor conciërges in het primair onderwijs wordt 11 miljoen euro geschrapt.
Dit komt extra hard aan, omdat ook tal van gemeenten de subsidies voor schoolconciërges schrappen of van plan zijn dat te doen. Er wordt gevreesd voor een ontslaggolf onder conciërges. Verder haalt het kabinet opnieuw een fors bedrag uit de algemene lumpsumfinanciering. Het gaat om 20 miljoen euro niet-geoormerkt geld, in principe bedoeld voor ondersteuning door belangenorganisaties. Meer informatie staat het document 'Herziening subsidiebeleid onderwijssubsidies' van het ministerie van OCW, dat u kunt downloaden.

Bron: VOS/ABB, 12 april 2011

Van Bijsterveldt start experimenten met flexibele onderwijstijd

Volgend schooljaar mogen 10 basisscholen starten met een experiment waarin zij hun lesuren flexibeler kunnen verdelen over het schooljaar. Dat heeft minister van Bijsterveldt (OCW) vandaag  (05-04-2011) bekend gemaakt.

In de huidige regelgeving tellen lesuren die gegeven worden in de zomervakantie niet mee in het verplicht aantal uren onderwijstijd. Ook moet een schoolweek uit minimaal 5 dagen bestaan waarbij maximaal 7 schoolweken uit een vierdaagse week mogen bestaan. De bewindsvrouw wil bij wijze van experiment een aantal scholen meer ruimte geven om van deze twee regels af te wijken. Strikte voorwaarde is dat leerlingen aan het eind van de basisschool de kennis en vaardigheden hebben die de wet voorschrijft. Ook moeten de pilotscholen zich houden aan de minimale onderwijstijd van 7520 uur in acht jaar en de onderwijstijd evenwichtig over de dag en het jaar verdelen. Het flexibeler inzetten van lesuren door het jaar heen kan in de praktijk betekenen dat de pilotscholen vaker lesgeven tijdens de zomervakantie.

Van Bijsterveldt zal de aangekondigde pilots gebruiken om in de volle breedte te kijken naar meer flexibiliteit in de onderwijstijd. Het experiment wordt gemonitord op de effecten op de prestaties van leerlingen en de kwaliteit van het onderwijsproces. Ook wordt gekeken naar de tevredenheid van ouders, kinderen en personeel. Daarnaast worden er scholen gemonitord die gebruikmaken van het 5 gelijke dagenmodel. Binnen de huidige regelgeving is het voor scholen al mogelijk om een 5 gelijke schooldagenmodel te hebben. Een experiment is daarom niet nodig, maar Van Bijsterveldt wil ook hier inzicht krijgen in de effecten op prestaties van leerlingen en de tevredenheid van ouders, kinderen en personeel.
Binnenkort maakt het ministerie van OCW bekend hoe scholen zich kunnen aanmelden voor het experiment. Vóór de zomer weten de aangemelde scholen of ze mee kunnen doen aan de proef. Het experiment start in het schooljaar 2011/2012.

Bron: Besturenraad, 6 april 2011

Krimpadvies: samenwerking onderwijs-bedrijfsleven nodig

Onderwijsinstellingen en bedrijfsleven moeten in krimpregio's meer samenwerken en maatschappelijke innovaties in het onderwijs moeten de ruimte krijgen. Dat zegt de SER (Sociaal-Economische Raad) in zijn nieuwste beleidsadvies, dat inmiddels aan minister Donner is overhandigd.

Het advies 'Bevolkingskrimp benoemen en benutten' is gericht aan de regering en geeft aan wat de overheid kan doen om de komende bevolkingskrimp op te vangen. Op dit moment is er al sprake van bevolkingskrimp in regio's aan de randen van het land (Zeeuws-Vlaanderen, Zuid-Limburg en Noord-Oost-Groningen). Maar op termijn zal het totaal aantal inwoners van Nederland dalen, hoewel er naast krimpregio's ook regio's blijven waar het bevolkingsaantal stijgt. Toch denkt de SER dat de krimp van nu onomkeerbaar en structureel van aard is. Dat heeft invloed op de economische dynamiek, de vraag naar goederen en diensten, de arbeidsmarkt en het ruimtegebruik.

De SER geeft in zijn beleidsadvies een reeks aanbevelingen voor de praktijk. Een deel van die aanbevelingen heeft te maken met onderwijs. De SER formuleert deze als volgt en noemt er ook voorbeelden bij:

-Zorg als overheden voor bovengemeentelijke afstemming om tot een zinvolle inkrimping en spreiding van kwalitatief goed scholen te komen. Voorbeeld: Onderwijsautoriteit Zeeland.
-Maak als overheid maatschappelijke innovaties mogelijk door waar nodig bestaande knelpunten in wet- en regelgeving aan te pakken. Voorbeeld: Pilot geïntegreerde kindvoorziening voor 0-12 jarigen in de Marne (Groningen).
-Laat waar nuttig lokale ondernemers in de faciliterende sfeer hierbij een rol spelen: administratie, huisvesting, catering en vervoer.
-Werk als onderwijsinstellingen en bedrijfsleven meer samen en zorg voor afstemming van het onderwijs op de regionale economie. Voorbeeld: Stichting Engineering Noord.
-Schep als overheid voor onderwijsinstellingen ruimte voor het aantrekken en behoud van jonge leerkrachten.
-Zorg als rijksoverheid voor betere wederzijdse erkenning van diploma’s tussen buurlanden en richt het onderwijs in grensregio's meer op taal en cultuur van buitenlandse buurregio’s.

Minister Donner heeft het advies inmiddels in ontvangst genomen. Daarbij zei hij dat 'we af moeten van het oude denken dat op groei richt is'. Ook zei hij dat het goed is als provincies en gemeenten meer beleidsruimte voor experimenten geven. De minister wil het beleidsadvies zo snel mogelijk naar de Tweede Kamer sturen, samen met zijn officiële reactie.

Het volledige advies en de samenvatting kunt u hier lezen.

Bron: VOS/AAB, 30 maart 2011
 

Coaching startende schoolleiders op meerdere fronten effectief

Coaching krijgen van ervaren schoolleiders verkleint de kans op voortijdig vertrek van startende schoolleiders in het primair onderwijs. Starters raken sneller ingewerkt, zijn professioneler en voelen zich gewaardeerd. Coaching is daarom goed voor de onderwijskwaliteit. Bovendien stimuleert het inzetten ervan de professionele cultuur. Deze resultaten blijken uit het onderzoek ‘Coaching voor en door schoolleiders. Een onderzoek naar de effecten en succesfactoren van coaching in het primair onderwijs’ van het Sectorbestuur Onderwijsarbeidsmarkt (SBO) uit Den Haag. Het onderzoek is gedaan door het CAOP met financiering van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW). Download het rapport.

Bron: SBO, 17 maart 2011
 

Financieel beleid over twee jaar op orde

Schoolbesturen in het po moeten over 2 jaar hun financiële deskundigheid en daarmee ook hun financieel beleid op orde hebben. Dat maakte minister Marja van Bijsterveldt gisterenmiddag (16-03-2011) duidelijk in een overleg met de commissie Onderwijs van de Tweede Kamer.

Bron: Besturenraad, 17 maart 2011

Schoolbestuur primair onderwijs presteert beter voor hetzelfde geld

De professionaliteit en de kwaliteit van de schoolbesturen in het primair onderwijs zijn de laatste jaren gestegen, terwijl de schoolbesturen daar niet meer geld aan uitgeven. Met 3,7 procent van de totale begroting is de situatie ten opzichte van 2006 niet significant veranderd. Dit blijkt uit onderzoek van het ITS / Radboud Universiteit Nijmegen. Het beeld van dure bestuursbureaus en van grote overhead klopt dus niet voor de sector primair onderwijs.

In het ITS onderzoeksrapport Bestuur en Management staat beschreven dat het bovenschoolse bestuursbureau in het primair onderwijs taken vervult op het gebied van personeelszaken, ICT-beleid, huisvestingsbeleid, kwaliteitsbeleid en met name financiën. Over het algemeen zijn de meningen over de bestuursbureaus positief: ze vangen werk af voor de scholen door gemeenschappelijke werkzaamheden efficiënter en beter te organiseren. Zo stellen ze schoolleiders en leerkrachten in staat hun tijd te besteden aan het onderwijs zelf.
Onlangs schreef minister Van Bijsterveldt dat in het primair onderwijs gemiddeld slechts 2,7% van het personeel op het bovenschools bureau werkt (zie antwoorden op vragen van Tweede Kamerlid M. Celik, referentie 259967). Kete Kervezee, PO-Raad: "Het is goed dat nu ook in onderzoek is vastgesteld dat het primair onderwijs geen sector is met een duur bestuursbureau en een grote overhead. Het is een enorme prestatie dat de sector met zo weinig overhead zo goed functioneert. 

 

Weinig overhead in onderwijs

Uit promotieonderzoek van Mark Huijben blijkt dat onderwijs een van de sectoren is met de minste overhead. Het onderzoek laat zien dat onder financiële druk het vet enorm is teruggedrongen. Bezuinigingen in het onderwijs zullen volgens hem dan ook nadelige gevolgen hebben voor het primaire proces.

Bron: PO-raad, 5 maart 2011


Onderzoek naar financiële positie schoolbesturen

De Inspectie van het Onderwijs begint een onderzoek naar de financiële positie van besturen in het primair, voortgezet en speciaal onderwijs. Het onderzoek loopt tot de zomer van 2012 en richt zich specifiek op besturen met een (zeer) hoge kapitalisatiefactor in combinatie met één of meer (zeer) zwakke scholen.

Doel van het onderzoek is, zo meldt de inspectie, om te kijken of deze besturen geld beschikbaar hebben om de onderwijskwaliteit te verbeteren. Het onderzoek volgt op het rapport van de Commissie Vermogensbeheer Onderwijsinstellingen (Commissie-Don) uit november 2009. Vorig jaar werd al een pilotonderzoek onder 50 besturen uitgevoerd.

Bron: VOS/ABB, 23 februari 2011

 

Besturen moeten asbestrisico's in kaart brengen

Schoolbesturen moeten uiterlijk op 1 juli 2012 weten of in hun gebouwen asbest aanwezig is. Dat is de uitkomst van een spoeddebat in de Tweede Kamer.
Het spoeddebat volgde op de uitzending van het programma Zembla op 15 januari. Daarin kwam naar voren dat in een deel van de schoolgebouwen asbestrisico's aanwezig zijn. Dit geldt zowel voor het primair als voortgezet onderwijs.
Staatssecretaris Joop Atsma van Infrastructuur en Milieu benadrukte in de Kamer dat schoolbesturen de eerstverantwoordelijke zijn om de risico's in kaart te brengen en eventueel maatregelen te nemen. Hij wil dat alle besturen voor juli 2012 een inventarisatie laten uitvoeren.

Bron: VOS/ABB, 17 februari 2011

 

Onderwijs komt mannen tekort

Veel mannen gaan met pensioen terwijl er minder mannen voor terugkomen. Om het beroep van leraar interessanter te maken voor jongens, start de Faculteit Educatie van de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen het project ‘Meer mans‘.
Van de jongens die aan de pabo beginnen, is minder dan de helft na 5 jaar afgestudeerd. Uit onderzoek blijkt dat dit deels te maken heeft met verschillen in beroepsmotivatie en verwachtingen van de opleiding tussen jongens en meisjes. De HAN gaat vaststellen welke onderdelen van de opleiding meer op de mannelijke maat ingericht kunnen worden en gaan die onderdelen veranderen. De aanpassingen betreffen onder andere de (stage)begeleiding, de aansturing van studenten, de inhoud van de opdrachten, de verslagen en de toetsvormen.
Meer Mans is een project van Krachtig Meesterschap, een overheidsinitiatief met als doel meer excellente leraren. Lerarenopleidingen en scholen worden gestimuleerd om – samen – de kwaliteit van (toekomstige) leraren te verbeteren.

Bron: Prima-Online, 16 februari 2011
 

Liever flexibele werktijden dan meer geld

Flexibele werktijden en uitgebreide opleiding- en loopbaanmogelijkheden leveren volgens zes op de tien werknemers in het onderwijs de grootste bijdrage aan hun werkplezier en prestaties.
Dat meldt HR-dienstverlener Raet. Uit onderzoek van Raet onder 1400 bezoekers van de Nederlandse Onderwijs Tentoonstelling (NOT) blijkt dat maar een kwart van de ondervraagden de voorkeur geeft aan meer salaris of bevordering naar een hogere schaal. Het onderzoek richtte zich op het primair, voortgezet en middelbaar beroepsonderwijs.

De behoefte aan flexibele werktijden en een betere balans tussen werk en privé komt volgens Raet overeen met de trend in het onderwijs. Recent onderzoek in opdracht van de ministeries van OCW en VWS toont aan dat flexibel werken leidt tot minder stress, minder files, meer betaald werk en minder beroep op kinderopvang.
Flexibele werktijden zijn in de onderwijssector nog schaars. Volgens het onderzoek werkt 24 procent van de medewerkers in het onderwijs of de kinderopvang flexibel. Alleen de transportsector scoort met 17 procent lager.

Bron: VOS/ABB, 11 februari 2011


Primair onderwijs teert in op eigen vermogen.

Uit de jaarrekeningen 2009 blijkt dat schoolbesturen interen op het eigen vermogen: de uitgaven zijn hoger dan de inkomsten. Op 1 augustus 2010 is bijna 170 miljoen aan bezuinigingen doorgevoerd. Dit doet vrezen dat de resultaten over afgelopen boekjaar dus nog verder de rode cijfers in zullen schieten. Met de bezuinigingen op Passend onderwijs in het verschiet, is er voor veel besturen geen andere uitweg dan fors te bezuinigen. Omdat de overhead in het primair onderwijs erg laag is, minder dan 2.7 procent, zullen deze bezuinigingen niet buiten de klas gehouden kunnen worden.

Tot 2007 gaven de besturen gezamenlijk minder geld uit dan dat zij ontvingen. In 2008 waren inkomsten en uitgaven ongeveer gelijk, alhoewel de rentebaten nodig waren om positief uit te komen. In 2009 blijken de baten lager te liggen dan de lasten: voor iedere € 100 die er binnen kwam werd € 101,20 uitgegeven. Dit betekent dat de sector PO als geheel € 115 miljoen meer heeft ingezet voor het verbeteren van de kwaliteit van het onderwijs dan er in dit jaar binnen kwam. Deze investeringen zien we onder andere ook terug in een toename van de materiele vaste activa (meubilair, ICT, onderwijsleerpakket).
Met name de financiële baten (bijvoorbeeld rente-inkomsten) hebben het negatief resultaat terug gebracht tot ruim € 14 mln. Wanneer we het resultaat in meerjarig perspectief plaatsen blijkt dat, sinds het eerste jaar dat lumpsum is ingevoerd (kalenderjaar 2007), er 210 miljoen extra uitgegeven wordt en er geen geld meer ‘opgepot’ wordt. Het beeld van een sector die op "het geld zit" is dus niet terecht.

Bij gelijkblijvende omstandigheden zou een tekort van 14 miljoen te overzien zijn geweest. Echter: in deze cijfers van 2009 zitten nog niet de bezuinigingen verwerkt zoals bezuinigingen op het budget van bestuur en management, de bezuiniging op de groeiregeling, de bevriezing van het budget speciaal onderwijs op het niveua 2008, het tekort in de materiele bekostiging, de pesonele lasten die harder stijgen dan de personele bekostiging, de ophanden zijnde bezuiniging op Passend Onderwijs, de bezuiniging op de onderwijsachterstanden, en ontwikkelingen als krimp en afnemende subsidies vanuit de lokale overheid. Dit alles geeft te denken voor de kwaliteitsinvesteringen voor de nabije toekomst.
 
Bron: PO-raad, 25 januari 2011   

   

Ict leidt tot andere personele samenstelling in school

In opdracht van het SBO heeft CAOP literatuuronderzoek uitgevoerd naar de gevolgen van ict-gebruik voor de personele omvang en samenstelling, de schoolorganisatie, de functie-inhoud en de werkbeleving. We constateren dat er nog weinig onderzoek is gedaan naar de gevolgen van ict voor de onderwijsarbeidsmarkt.
Het onderzoeksrapport 'Ict en de invloed op de onderwijsarbeidsmarkt' beschrijft onder andere de verwachting dat ict op termijn de samenstelling van het personeelsbestand zal beïnvloeden.

Ict in het onderwijs leidt niet zonder meer tot minder behoefte aan onderwijspersoneel. Wèl zal de personele samenstelling veranderen. Er komt meer variatie in functies. Docenten zullen zich steeds minder bezighouden met instructietaken. Die rol kan worden overgenomen door onderwijsondersteunend personeel. In plaats daarvan zal de leraar zich bezighouden met het begeleiden van leerprocessen en het ontwikkelen van lesmateriaal. Hiervoor zullen docenten zich in toenemende mate didactische ict-vaardigheden eigen moeten maken. Door deze functieverandering wordt het beroep van docent aantrekkelijker. Verwacht wordt dat met docentvervangende software op termijn lerarentekorten ondervangen kunnen worden. Omdat er eerst geïnvesteerd moet worden is er op korte termijn nog geen sprake van een kostenbesparing.

Bij het ontwikkelen van een onderwijskundige visie op ict zouden scholen meer aandacht moeten hebben voor de verwachte gevolgen voor het onderwijspersoneel. Verder wordt geadviseerd om meer te investeren in didactische vaardigheden van docenten en om docenten te betrekken bij het ontwikkelen van digitaal leermateriaal. Volgend jaar zal het onderzoeksteam van het CAOP verder onderzoek doen naar de invloed van ict op de onderwijsarbeidsmarkt. Hiervoor worden docenten en managers in het primair en voortgezet onderwijs bevraagd.

Bron: SBO, 15 december 2010

Kennisnet signaleert ict-schaarste in het onderwijs

Versnelling van ict-gebruik in onderwijs noodzakelijk. Zo’n 25 procent van alle docenten in het primair onderwijs, het voortgezet onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs gebruikt geen computers tijdens de les.
Het gebruik van ict in het onderwijs neemt weliswaar gestaag toe, maar veel te langzaam. Dat zegt Toine Maes, directeur van Stichting Kennisnet. In het huidige tempo duurt het nog tien jaar, voordat alle docenten ict toepassen in het lesprogramma. “Als Nederland écht de ambitie heeft om internationaal terug te keren in de top vijf kenniseconomieën, dan moeten we nu versnellen”, zo stelt Maes.
Vandaag lanceert Kennisnet de Vier in Balans Monitor, een jaarlijkse uitgave over het gebruik en het rendement van ict in het onderwijs. De toegevoegde waarde van ict in het onderwijs wordt in steeds meer onderzoek aangetoond. Ict zorgt voor een rijkere leeromgeving, met onderwijs op maat. Leerlingen zijn meer gemotiveerd en leveren betere prestaties; leraren geven efficiënter onderwijs en hun beroep wordt aantrekkelijker; en de vernieuwingsgezindheid van scholen neemt toe. Scholen erkennen de potentie van ict en investeren daarom flink. Er komen steeds meer computers, steeds snellere internetverbindingen en in de afgelopen drie jaar hebben vrijwel alle scholen een digitaal schoolbord aangeschaft. Toch gaat het volgens Kennisnet niet snel genoeg.
Zo blijkt uit de Vier in Balans Monitor dat nu gemiddeld één computer beschikbaar is per vijf leerlingen.
Maes: “Stelt u zich eens voor dat u met vier collega’s een computer moet delen. Hoe efficiënt is dat?” Naast het aanpakken van deze schaarste in de infrastructuur vindt Kennisnet dat ook het rendement omhoog moet. “Het computergebruik door leraren is in 2010 met 3% gestegen. Dat is positief, maar met deze groei duurt het tot ongeveer 2020 voordat alle docenten gebruik maken van ict.” Bovendien wordt ict nog te sporadisch ingezet, en beperkt het gebruik zich veelal tot het opzoeken van informatie op internet of tekstverwerking. Dat is een gemiste kans. Volgens Maes ligt de basis voor succesvol ict-gebruik in het opstellen van een heldere visie door schoolmanagers en docenten. Ongeveer de helft van de docenten geeft aan grote behoefte te hebben aan een visie die breed gedragen wordt binnen de school. “Voor een evenwichtige inzet van ict – de Vier in Balans – moet de onderwijsinstelling vervolgens ook kijken naar de deskundigheid van docenten, de inzet van leermaterialen en de noodzakelijke infrastructuur. Als docenten niet weten wat mogelijk is en als onvoldoende digitaal leermateriaal beschikbaar is, kan te weinig rendement worden gehaald uit de investeringen.” Oproep tot versnelling
De Vier in Balans Monitor laat zien dat de digitalisering in het onderwijs niet in de pas loopt met de digitalisering in de werkende wereld. Overheid en bedrijfsleven, burgers en consumenten, allemaal raken zij steeds meer vertrouwd met ict en steeds meer benutten zij de mogelijkheden om kennis en informatie te delen. “Dat het onderwijs hierin achterblijft is vreemd. Juist hier gaat het om informatiedeling en kennisoverdracht.”, stelt Maes. Kennisnet vindt dan ook dat de onderwijswereld in de komende vijf jaar een flinke slag moet slaan. In 2015 moet iedere leerling, student en docent in Nederland eenvoudig toegang hebben tot alle beschikbare leerinformatie. Die informatie moeten zij kunnen opvragen en verwerken met hun eigen ‘device’. Een ambitie die de noodzaak van versnelling toont. “We zijn de goede weg ingeslagen, maar het moet echt sneller.”

Download rapportage Vier in Balans 2010 

Bron: Kennisnet, 30 november 2010 

Leiderschap van het grootste belang voor succes school.

Leiderschap gericht op doceren, leren en mensen is van het grootste belang voor het succes van de school. Dat is een van de conclusies van een onderzoek van McKinsey deze zomer onder schoolleiders uit verschillende landen. Gekeken is naar de rol van schoolleiders, hun belang en ontwikkeling, de ontwikkelingsmogelijkheden van nieuwe schoolleiders en de rol van besturenDe onderzoekers concluderen verder dat goed leiderschap over de hele wereld min of meer hetzelfde is. Dezelfde praktijken als in de onderzochte landen worden ook elders gevonden en werken daar ook. Schoolleiderschap heeft een belangrijke invloed op het leren van leerlingen. Alleen het onderwijsproces in de klas is van nog groter belang.
McKinsey deed onderzoek onder schoolleiders in Canada (Ontario en Alberta), Engeland, de Verenigde Staten (New York), Nieuw-Zeeland, Nederland, Singapore en Australië (Victoria). Deze landen hebben de beste schoolsystemen in de wereld.
De belangrijkste conclusies uit het onderzoek:
  • Leiderschap gericht op doceren, leren en mensen is van het grootste belang voor het succes van de school.
  • Goed presterende schoolleiders leggen de focus op onderwijskundig leiderschap en de ontwikkeling van docenten.
  • Leiders groeien door ervaring en ondersteuning. Het actief cultiveren hiervan kan het leiderschapspotentieel van het systeem vergroten.
  • Leiders leren het best in context en van verschillende bronnen (onder andere van collega-schoolleiders, meerderen, online bronnen en via formele training).
  • Het selecteren van een schoolleider is een van de belangrijkste besluiten in een onderwijssysteem. Het is van cruciaal belang dat sollicitatiecommissies de vaardigheden en capaciteiten hebben om de optimale keuze te maken.
  • Het maximaal benutten van leiderschapscapaciteiten betekent dat de selectie en ontwikkeling van leiders een integraal onderdeel van het werk van een school moeten zijn.
  • Schoolbesturen zouden de volgende rollen moeten spelen als het over leiderschap gaat: ondersteunen van zwakkere schoolleiders, zorgen voor effectieve professionele ontwikkeling, managen van leren in een netwerk, versterken van het plannen van opvolging van schoolleiders en het versterken van verantwoording.
Bron: VO-raad, 25 november 2010

Betere prestaties door opbrengstgericht werken

Basisscholen kunnen rekenprestaties van hun leerlingen vergroten door opbrengstgericht te werken. Dit blijkt uit het rapport ‘Opbrengstgericht werken in het basisonderwijs’, dat de Inspectie van het Onderwijs begin november naar buiten bracht.
Het rapport laat een positief verband zien tussen de opbrengstgerichtheid van scholen en de leerresultaten van hun leerlingen. Scholen waar leerlingen beter presteren, evalueren de leerresultaten van hun leerlingen vaker en trekken conclusies uit die gegevens. Leerkrachten op deze scholen hebben hoge verwachtingen van hun leerlingen en stemmen hun les af op de verschillen tussen leerlingen. Leerlingen die extra zorg nodig hebben, krijgen deze van leerkrachten die daarvoor specifieke kennis hebben. Volgens de inspectie is sprake van opbrengstgericht werken als een school systematisch en doelgericht werkt aan het maximaliseren van de prestaties van haar leerlingen. Om praktische redenen is het onderzoek beperkt tot onderwijs in rekenen-wiskunde op basisscholen. Het onderzoek is uitgevoerd via een representatieve landelijke steekproef op 166 scholen. Uit de resultaten van de steekproef blijkt dat de meeste scholen beschikken over gegevens om jaarlijks hun opbrengsten te evalueren. Alleen hebben zij vaak geen zicht op de doelen die ze met hun leerlingen willen bereiken. Daardoor is het moeilijk om tot goede verbetermaatregelen te komen. Leerkrachten leggen over het algemeen duidelijk uit. Maar op 60 procent van de scholen in het onderzoek maken leerkrachten niet duidelijk wat ze met een les willen bereiken. Ze geven leerlingen vaak alleen feedback op het resultaat van hun werk, terwijl feedback op de manier waarop het resultaat is bereikt zinvoller is. Zie ook www.onderwijsinspectie.nl.
 
Bron: AVS, 19 november 2010